Jaap Hillenius
Amsterdam 1934 - Amsterdam 1999

back

Jaap Hillenius werd geboren aan het Singel in Amsterdam. Hij had twee oudere broers Dick en Kees. Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog was hij 6 jaar. Jaap was vaak ziek. Op de HBS aan de Zocherstraat bij het Vondelpark waar hij vanaf 1948 naar toe ging, leerde hij zijn toekomstige vrouw Mies de Roos kennen. In 1952 ging hij naar de Amsterdamse Rijksnormaalschool, opleiding voor het tekenonderwijs. Met zijn vriend August Willemsen maakte hij in 1954 een reis naar Zuid-Frankrijk, thuisgekomen bleek hij tyfus te hebben. In 1957 ging hij opnieuw met Willemsen naar Frankrijk. In 1958 en 1959 krijgt Hillenius de prijs van de Koninklijke Subsidie voor Schilderkunst. Willemsen woont voor een jaar bij de familie op het Singel. Het waren jaren met veel vriendschappen, lange nachten en biologische experimenten met broer Dick. Ondanks de rebellie van de 'Experimentelen' hield Hillenius vast aan het realisme. Op 26-jarige leeftijd (1960) werd hij docent tekenen aan een HBS (tweede Daltonschool, later Osdorper Scholengemeenschap).

In 1961 deed hij mee met de tentoonstelling 'Les Jeunes Peintres du Monde' in Parijs. Een jaar later verhuisde hij met Mies naar de atelierwoningen in de Zomerdijkstraat. Samen met vriend Rudi Koegler startte hij er een tekenclub. Zijn twee zonen werden er geboren: Cham in 1964 en Sem in 1968. Hij ontvangt de Talensprijs in 1965 en een jaar later de Henriëtte Roland Holstprijs. In die tijd kreeg Jaap een atelier in Loenen aan de Vecht in de tuin bij Aldo en Hannie van Eyck. Met Aldo van Eyck deelde hij een passie voor etnografische kunst. In 1965 had hij een tentoonstelling in de VS 'Contemporary Dutch Painters' en later in 1969 opnieuw 'Dutch art today'.

Na zijn opleiding M.O. tekenen maakte hij vooral landschappen en portretten, expressionistisch geschilderd, een combinatie van Soutine en Bacon. Hij zei erover: 'dat gaat goed tot het moment dat je jezelf ter verantwoording roept en beseft dat je niet je hele leven zo kunt blijven werken.'
In 1970 neemt hij het besluit om dat ene 'ultieme' schilderij te ontwikkelen - mensen onder een boom aan het water met zonlicht - en elk jaar een probleem van dat schilderij te onderzoeken. Eerst is hij weer mensen gaan schilderen, fragmentarisch weergegeven en opgebouwd uit ritmes. Daarna heeft hij vooral de beweging van water getekend. Van water naar vegetatie en de ritmes van het groeien, hiervoor heeft hij het oerwoud in Guatamala bezocht. Solotentoonstellingen had Hillenius in 1975 - met onder andere Oerwoud - en 1977 in Arti et Amicitiae te Amsterdam.

In 1975 dacht hij dat hij klaar was met zijn onderzoek. Toen kwam de kleur. Zijn ultieme schilderij speelt zich af in de zomer. Zo moest hij uitzoeken welke kleurstellingen de zomer heeft. Hij kwam erachter dat kleur gedacht vanuit het pigment en kleur gedacht vanuit het licht twee verschillende principes zijn met een eigen kleurset. Hierop volgt een onderzoek naar kleur. Een jaar lang schilderde hij met zijn vriend Rudi Koegler water. Hij schilderde wat hij zag, wanneer het schilderijtje af was leek het niet op wat de werkelijkheid te zien gaf. Ze herkenden echter dezelfde kleuren bij elkaar. Hierna hebben ze samen een jaar lang gras geschilderd. Het doel was het schilderij net zo veel licht te laten terugkaatsen als het gras deed. Marja de Ridder die bij Koegler op school zat, ging model staan bij Hillenius. Zij werd later zijn minnares - zijn muze noemde Jaap haar.

Het werk van Georges Seurat en Robert Delaunay was belangrijk voor Hillenius. Seurat bediende zich van de natuurwetenschap. Hij onderzocht de wijze waarop het oog ziet en hoe gekleurd licht zich gedraagt, maar ook bestudeerde hij gekleurd pigment. De theorieën van Michel Eugène Chevreul (simultaancontrast en contrast van lichte en donkere tinten) waren voor Seurat van belang. Chevreul had al geconstateerd dat 'om het model getrouw te imiteren we het anders [moeten] kopiëren dan wat we zien.' Ook Ogden Roods-theorie (optische menging van kleuren is wezenlijk anders dan menging van verf) had invloed op Seurat, hij kende deze waarschijnlijk vooral door gesprekken met de wetenschapper Charles Henry. In feite zocht Seurat een methode om de materiële substantie van de olieverf het lichtende en stralende karakter van echt licht te geven.
En hij streefde ernaar alle elementen van het tafereel in het schilderij een gelijkwaardige rol te geven. Belangrijk voor Hillenius was het schilderij Une apres-midi de dimanche sur l'ile de la Grande Jatte, dat Seurat in 1884/1885 schilderde. Er is echter een groot verschil tussen Seurat en Hillenius. Voor Seurat was kunst harmonie - zijn kunstwerk moest autonoom zijn en tijdloos, hij was geen realist. Voor Hillenius was echter de natuur uitgangspunt. Harmonie met de natuur was voor hem een opgaan in de natuur. De beschouwer van een kunstwerk van Hillenius ervaart het ritme. Een ander verschil: in Seurats werk worden mensen met duidelijke contouren afgezonderd van hun omgeving, bij Hillenius worden ze ruimtelijk bezien, hij laat ze 'open'.

Delaunay is van belang voor Hillenius door zijn gebruik van het simultaancontrast, de ene kleur wordt beïnvloed door de andere. Delaunay kende het boek van Gaetano Previati Principi scientifici del divisionismo (1906), waarin hij onderscheid maakt tussen de effecten van opeenvolgend contrast, door het oog gecreëerd door het scannen van een omgeving en de effecten van simultaancontrast. Delaunay kwam door Previati tot het gebruik van het venster-motief als middel voor het onderzoeken van de effecten van licht en transparantie. Het venster is niet slechts toegang tot uitzicht naar buiten maar tegelijk een bron van licht dat naar binnen straalt. Hillenius ging vooral bij Delaunay te rade. Delaunay had geprobeerd om aan zijn schilderijen met gebruikmaking van het simultaanconstrast een suggestie van beweging te geven. Hillenius ontdekte in het simultaancontrast een belang voor de optische ervaring van ruimte.

Hillenius heeft in 1982 een eerste poging gedaan voor zijn grote schilderij. Daarna heeft hij er meerdere gemaakt, o.a. Groot landschap (1982/1983). Het grote formaat stelde hem weer voor andere problemen. Op zijn schilderij staan bomen, mensen, een gedeelte is water. Hij ging er vanuit dat het zonlicht wit is. Maar hij ontdekte dat als er vocht in de lucht is dat dan in de kleuren bij de grond de roden meer aanwezig zijn. Hillenius wilde de onbevangen blik vastleggen. Maar hij zag de moeilijkheid daarvan in: 'Zodra je kijkt naar een koe zal het geheugenbeeld van een koe controlerend werken op de directe waarneming.' De hersenen plaatsen het in een referentiekader. Hillenius: 'Het betekent dat er een ongelooflijk kort moment is dat je juist waarneemt en alles wat volgt gekoppeld is aan de herinnering.' Hij heeft allerlei trucs bedacht waarmee hij dacht langer te kunnen kijken. Hij volgde zijn eigen oogbeweging. Litho's gaf hij een ingetekende oogbeweging. Bij een serie modeltekeningen tekende hij de voorstelling weg, maar het duurde heel lang voordat zijn geheugen weigerde het model te herkennen. Dick zijn broer, bioloog, stelde dat als je het geheugen uitschakelt je niets ziet. Jaap vond dat hij door zijn experimenten toch op een andere manier naar zijn model gekeken heeft. 'Elke manier die je kunt gebruiken om op een andere manier dan de gebruikelijke manier naar iets te kijken helpt om het bewuster te zien,' zei hij. Hij maakte reizen naar woestijnen om ruimte te noteren - naar Arizona (VS), Marokko en Kenia. Hij lette op de motoriek van het oog en de oogbewegingen tekende hij, omdat de ervaring van ruimte daaraan gekoppeld is. Het bleek dat zijn waarneming begon bij een roze steen, en daarna richtte zijn oog weer op een roze steen. Hierna verschoof zijn blik naar groen, de complementaire kleur. Hij ontdekte dat het kijken geconditioneerd was op kleur en dat het contrast van de complementaire kleuren verbonden is met een ruimtelijk effect van optische aard.

De grote werken die ontstonden: de eerste vr 1990, een voorstelling van mensen onder een boom bij het water in zonlicht. Het werden uiteindelijk niet vier (zoals gepland) maar zes grote werken: vier keer Groot Harmonisch Landschap, n tweeluik Spiegeling en n (onvoltooide) Laatste schilderij.

Van 1964 tot 1993 was Hillenius lid van Amsterdamse kunstenaarsvereniging De Keerkring. In het begin stond De Keerkring (opgericht in 1950) voor het samengaan van alle Nederlandse kunstenaars, maar ze ging steeds meer in de richting van het figuratief-realistische. Ze hadden het idee dat een klein groepje experimentelen en non-figuratieve kunstenaars bovenmatig veel aandacht kreeg. In feite ging het niet meer om de kwestie of figuratieve kunst nu wel of niet geaccepteerd werd, maar om het beleid van het Stedelijk, dat nauwelijks aandacht besteedde aan Nederlandse kunstenaars. De Keerkring deed vooral van zich spreken onder voorzitterschap van Max Reneman in de jaren 60 en 70. Jaap Hillenius deed bijna altijd of altijd mee aan de jaarlijkse tentoonstelling, vaak in de Nieuwe Vleugel van het Stedelijk Museum. Bij de tentoonstelling van 1975 stond in het begeleidende boek een met de hand geschreven 'beginselverklaring' van Hillenius: 'Mijn uitgangspunt is de harmonie in de natuur. Ik noteer - zo goed en zo kwaad als het gaat: 1. groeiritmes van planten 2. beweging van wateroppervlak 3. oogbewegingen over mensen 4. kleur, los van de vorm. Met deze vier punten als beginfase werk ik.'

Verder was Hillenius lid van de Hollandse Aquarellistenkring en deed mee aan de tentoonstellingen in het Stedelijk in 1977, 1979, 1981 en 1991. Met de Nederlandse Kring van tekenaars stelde hij tentoon in 1975 in het Stedelijk. Voor beide verenigingen kan het zijn dat hij vaker met ze tentoonstelde. Ook was hij aanwezig op de tentoonstellingen in Museum Fodor 'Amsterdam koopt kunst 1977' in 1978, en op dezelfde tentoonstelling in 1979 en in 1981.

In de jaren 80 kreeg figuratieve kunst meer aandacht in de kunstwereld. Van 1982 tot 1990 was hij docent aan de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam, afdeling Tekenen en Schilderen. Bij Collection d'Art had Hillenius tussen 1980-1998 negen tentoonstellingen. Op de tentoonstelling 'De Nederlandse identiteit in de kunst na 1945' (1984) in het Stedelijk Museum werden drie recente werken van Hillenius getoond, alle in het bezit van het Stedelijk. Er verscheen een gelijknamig boek bij de tentoonstelling waarin deze schilderijen staan afgebeeld. Ook in 1984 heeft hij een tentoonstelling bij het Internationaal Cultureel Centrum (ICC) in Antwerpen. Meer tentoonstellingen volgden: onder andere in: het Museum Waterland in Purmerend (1989, 1999 en 2006) en in galerie Blom in Dordrecht (1990-1994). In de jaren 90 kreeg Hillenius veel opdrachten: onder andere voor het Ministerie van Sociale Zaken in Den Haag (1990/1991). Op de gevel van de sporthal 'Wibaut' in Amsterdam hangt 'Beweging' (1992). Later kreeg hij een opdracht voor het Gerechtshof in Groningen (1997) en in datzelfde jaar voor de Algemene Rekenkamer in Den Haag. Deze laatste opdracht is bijzonder in de zin dat hij voor het gebouw van Aldo en Hannie van Eyck naast kleurtoepassingen in het interieur ook gekleurde verticale muurtegels voor de buitengevel ontwierp - fragmenten van verschillende tinten rood, geel, blauw en groen.

Willemsen zegt in de tentoonstellingcatalogus van ICC dat Hillenius 'het in kleur ontbonden licht' wil laten zien. Hillenius zei zelf: 'Ik hou me bezig met licht en daar probeer ik een beeldende oplossing voor te vinden. De schilderijen die gelukt zijn hebben licht gekregen.'

Literatuur
- Dick Hillenius, 'Een blik in de familie. Dick (Hillenius) over Jaap (Hillenius)', Kunstbeeld, oktober 1982, pp. 18-19.
- August Willemsen, 'Jaap Hillenius. Metapeinture', Eric de Nie, Auke de Vries, Klaas Gubbels, Jaap Hillenius, Antwerpen, Internationaal Cultureel Centrum, 1984, [z.p.]
- Geurt Imanse (ed.), De Nederlandse identiteit in de kunst na 1945, Abcoude/Amsterdam, Uitgeverij Uniepers/i.s.m. Stedelijk Museum Amsterdam, 1995 (oorspr. 1984).
- Leo Duppen, 'De droom van Jaap Hillenius. "Als ik in de natuur ben, fiets ik door mijn schilderij"' Kunstbeeld, september 1985, pp. 16-19.
- Anne Berk, 'Schilderijen van Jaap Hillenius', Kunstbeeld, nr. 11, 1999, pp. 52-53.
- Marjolijn van Riemsdijk, De bestorming van het onmogelijke. Max Reneman, De Keerkring & de collectieve verbeelding, fotografie: Cor Jaring e.a., Rotterdam, Bres, 2001.
- Tijmen van Grootheest, K. Schippers, Hans Sizoo (e.a.), Jaap Hillenius. Poging om dichterbij te komen, Amsterdam, Ludion, 2004.