Theo Swagemakers
Tilburg 25 december 1898 – Laren 27 mei 1994

back

“Ik schilder graag mensen, vooral vrouwen. Ik houd van het vrouwelijk schoon, denk dat dat ook door mijn vak komt. Je leert kijken, wordt gevoelig voor lijn en kleur, je ontwikkelt bepaalde gevoelens meer dan andere… Eigenlijk ben ik mijn hele leven een echte wijvenschilder geweest. Ik heb altijd graag naar ze gekeken, maar mijn huwelijk heb ik er nooit voor kapot willen maken. Als de passie in het huwelijk bij het groeien der jaren misschien wat afneemt, komt er toch wat anders voor in de plaats. Dat heeft met tederheid, misschien wijsheid en een wat onbestemder verlangen te maken. Als je véél geluk hebt, kun je met datzelfde soort gevoel misschien wel een portretje of een stilleventje maken dat net even is aangeraakt door het tijdloze, het blijvende.”

“Als ik iemand schilder, praat ik, kijk ik, zet ik thee, schenk ik ’n borreltje in op het goeie moment, terwijl ik naar de waarheid zoek in die mens. Isidoor Opsomer zei mij al: ‘een portrettist is gelijk ene biechtvader’. Al pratend en kijkend vang ik dat portret dan. Soms gaat het vrij snel, soms snij ik het ook wel kapot, want als ik eraan ga knoeien wordt het steeds lelijker...“ ,(interview 1978)

De bourgondisch geaarde Brabander Theo Swagemakers was, wat je noemt een schilder met een ‘late roeping’. Hij was voorbestemd om zijn vader in de textielfabriek in Tilburg op te volgen. Maar toen hij 25 jaar was hij besloot hij schilder te worden. Hij vertelde bij gelegenheid, dat hij wel al jong aan het schilderen was. “Alsof het een roeping was heb ik altijd met liefde en overtuiging geschilderd. In de fabriek van mijn vader was je veel bezig met het maken van ontwerpen met kleur. Ik word in de kritieken ook altijd geprezen om mijn kleurgevoel...“
Swagemakers raakte bevriend met de oudere Tilburgse schilder Jan van Delft, die hem stimuleerde in zijn passie voor schilderkunst. Naast de vele portretten die Van Delft maakte, ging zijn aandacht uit naar landschap, stilleven en bloemstukken. Vrij en gebonden werk maakte hij naast elkaar. Op dezelfde manier zal Swagemakers dat later ook doen. Om financiële redenen maakt hij dan vele portretten en daarnaast maakt hij vrijere, impressionistische getinte stillevens en aquarellen van landschappen.

Swagemakers verlaat Tilburg in 1923 nadat hij een geldregeling met zijn vader heeft beklonken: hij krijgt voortaan een ‘werkmansloon’. Hij gaat in Brussel studeren aan de academie bij Baron Isidoor Opsomer. Deze kunstenaar was de laatste belangrijke portretschilder van zijn generatie en de belangrijkste leermeester van Swagemakers. Hij heeft vooral invloed gehad op zijn vorming tot portrettist. Niet in de laatste plaats, omdat hij een goed voorbeeld was van het functioneren van een schilder (met een opdracht) in de samenleving. Op een keer zei Baron Isidoor Opsomer tegen zijn leerling en vriend Swagemakers:
“Awel vriend, ge hebt een chique die ik niet bezit, maar ge moet eraan blijven bouwen.”
Met name de portretlessen aan de Brusselse academie waren degelijk en gericht op vakmanschap. Voor de docenten speelde de natuur een belangrijke rol, weergegeven in een impressionistische stijl.

De ontmoeting met de Belgische expressionist Constant Permeke is voor Swagemakers van grote betekenis. Permeke was de belangrijkste exponent van het Vlaams expressionisme, die in heftige penseelstreken en donkere en warme kleuren, een bezielde natuur opriep. In dezelfde stijl werden ook sociale onderwerpen geschilderd. Tot dan toe heeft Swagemakers de zichtbare werkelijkheid op een traditionele, realistische manier verbeeld. Nu ontdekt hij een andere opvatting en wijze van verbeelding. De invloed van Permeke is duidelijk in vroege werken, zoals Bretonse visschers uit 1928.
In 1926 vertrekt Theo Swagemakers naar Parijs, waar in die tijd veel kunstenaars uit het buitenland samen kwamen. Men ontmoette elkaar op de academies en de ateliers, waar bekende kunstenaars les gaven. Swagemakers bleef in Parijs tot 1929. Hij had les op de academie van Othon Friesz, die schilderde in een postimpressionistische stijl die Swagemakers zeer aansprak. In het Parijse kunstenaarsmilieu ontdekte Swagemakers dat hij een eigen stijl moest ontwikkelen. Hij voelde zich impressionist, maar stelde zich goed op de hoogte van alle nieuwe ontwikkelingen op kunstgebied. De zichtbare wereld blijft zijn inspiratiebron en hij ziet het als opdracht het ‘beeld van de mens in zijn wereld’ uit te beelden.
in 1929 heeft hij zijn debuuttentoonstelling in Parijs bij de gerenommeerde Galerie Jacob. De kritieken zijn positief. Hij wordt een Hollandse ras-kunstenaar genoemd met een prachtige schildertechniek en een genuanceerd kleurgevoel. Op de tentoonstelling hing het portret van de Russische prins Obolensky, dat sterk de aandacht trok. Het portret was zo’n succes dat Swagemakers wel twintig portretopdrachten kreeg, allemaal uit Nederland. Langzaam werd zijn naam vooral verbonden aan portretten, hoewel hij ook succesvol landschappen en stillevens schilderde. Door de toename van portretopdrachten, niet alleen uit Nederland, besloot hij zich te vestigen in Amsterdam. Hij werd lid van de kunstenaarsvereniging De Onafhankelijken en ging op in het culturele leven van Nederland. Ondertussen bleef hij zich toe leggen op het portretteren. Hiermee wilde hij zich verzekeren van een inkomen.
Tijdens zijn Brusselse en Parijse jaren was Swagemakers met nieuwe modernistische stromingen in aanraking gekomen. Hij liet zich er echter niet zozeer door beïnvloeden en bleef mensen en dingen schilderen op een naturalistische wijze. In zijn vrije werk echter, met name in stillevens, is hij lyrischer en gedurfder.
In 1933 trouwt Swagemakers met Elly Haaksma. In de loop der jaren werd zij een van zijn meest geliefde modellen. Een portret van haar uit 1946 en een portret van hun zoontje Vic worden in 1958 bekroond met de Thérèse van Duyl - Schwartze prijs.

De atelierwoning in Zomerdijkstraat nr. 20, die de familie in 1942 betrekt, wordt een bekend adres voor kunstenaars, modellen en opdrachtgevers. Tijdens de opening van het Theo Swagemakers Museum in Haarlem in 1999, wordt er door een getuige nog aan de portretschildersessies herinnerd: “De schildersessies zijn altijd een vrolijke boel. Theo Swagemakers is en blijft een Brabander, een gevat causeur met veel humor.”

In zijn lange leven heeft Theo Swagemakers meer dan elfhonderd portretten geschilderd van meer en minder bekende personen. Hij woonde en werkte nog tot 1987 in de Zomerdijkstraat, waarna hij zich vestigt in het Rosa Spierhuis in Laren. Hier overlijdt hij in 1994 op 95-jarige leeftijd.